Gezondheid

D E   B E H O E F T E 

aan en inname van voedingsstoffen bij ouderen. In vergelijking met andere bevolkingsgroepen kan voor ouderen ten aanzien van een aantal voedingsfactoren, verschillen in behoefte en inname worden aangegeven.


W A T E R 

De individuele behoefte aan water is moeilijk te bepalen. Factoren als klimaat, luchtvochtigheid en de mate van lichamelijke activiteit is mede bepalend voor de behoefte aan vocht. De meeste aanbevelingen voor de behoefte aan water liggen rond 2500-2600 ml per dag (uit voeding, drinken en oxidatie). Voor ouderen geldt, in verband met een mogelijk verminderde nierfunctie, een hogere behoefte van ongeveer 200 ml per dag. De inname door ouderen in ons land bedraagt 2400 ml door mannen en 2325 ml door vrouwen.


E N E R G I E 

Met het afnemen van de leeftijd neemt ook de behoefte aan energie af. De gemiddelde inname van energie door senioren voldoet in ons land aan de gestelde normen (8,8 MJ voor mannen en 7,8 MJ voor vrouwen). Uit het SENECA onderzoek (een onderzoek onder thuiswonende mensen tussen 70 en 75 jaar oud, uitgevoerd in negen Europese landen) blijkt dat de inname van energie bij 10% van de mannen en 28% van de vrouwen minder dan 6,3 MJ bedraagt.

Bij deze lage inname van energie is het niet mogelijk voldoende essentiële voedingstoffen met de voeding binnen te krijgen. Bij een afnemende gezondheid neemt de inname van energie doorgaans af. De gemiddelde inname van energie door ouderen in een instelling of ziekenhuis bedraagt minder dan 6 MJ.


K O O L H Y D R A T E N 

De inname van koolhydraten door ouderen is over het algemeen, net als voor de totale bevolking, aan de lage kant. Mannen boven 65 halen gemiddeld 52,5% van de energie uit koolhydraten, voor vrouwen boven 65 bedraagt dit slechts 44%. Voor beide groepen geldt de aanbeveling van 55%. De verhouding tussen de enkelvoudige koolhydraten (suikers) en complexe koolhydraten (vezelstoffen) is eveneens uit balans. Met name voor senioren is de hoge inname van suikers en de lage inname van vezelstoffen zorgelijk in verband met de mogelijk grotere kans op ouderdomsdiabetes.


V E T T E N 

De inname van vetten door ouderen is over het algemeen, net als voor de totale bevolking, aan de hoge kant. Mannen boven 65 halen gemiddeld 36,7% van de energie uit vetten, voor vrouwen boven 65 bedraagt dit 37%. Voor beide groepen geldt de aanbeveling van 30-35%. De verhouding tussen de verzadigde en de (meervoudig) onverzadigde vetten is eveneens uit balans. Met name voor senioren is de hoge inname van verzadigde vetten en de lage inname van (meervoudig)onverzadigde vetten zorgelijk in verband met de grotere kans op chronische ontstekingsbeelden (gewrichten), hart- en vaataandoeningen en kanker.


E I W I T T E N 

De inname van eiwitten door ouderen is over het algemeen, net als voor de totale bevolking, aan de hoge kant. Mannen boven 65 krijgen gemiddeld 86 gram binnen, in plaats van de aanbevolen 56 gram. Voor vrouwen boven 65 bedraagt de inname 73 gram in plaats van de aanbevolen 52 gram. Een minder efficiënte spijsvertering (verminderde functie van de maag en afgifte van enzymen) of een tekort aan vitamine B6 bij ouderen, kunnen het vrijmaken en opnemen van aminozuren verminderen. Een hogere inname van eiwitten om dit verlies van functie te compenseren wordt echter niet aangeraden, aangezien een overmaat aan eiwit de uitscheiding van calcium bevordert waarmee het gevaar voor botontkalking toeneemt, en de nieren te zeer belast.

Gezien de (te) hoge inname van eiwitten door ouderen lijkt het zinvol om meer aandacht te geven aan de kwaliteit dan aan de kwantiteit van eiwit in de voeding. De eiwitten uit vlees, zuivel en peulvruchten (met name soja) zijn moeilijk opneembaar, vooral als deze voedingsmiddelen als eenzijdige bron van eiwit in een maaltijd worden gegeten. De eiwitten uit groenten, noten, zaden, linzen en vis zijn makkelijker opneembaar, vooral als meerdere bronnen van eiwit in een maaltijd worden gecombineerd.


V I T A M I N E N 

De algemene behoefte aan vitaminen en mineralen zou men het stijgen der jaren moeten afnemen, aangezien er doorgaans minder arbeid wordt verricht en minder energie wordt ingenomen. Vooral de behoefte aan de meeste B-vitaminen (die nodig zijn voor het vrijmaken van energie) ligt bij ouderen lager. Aan de andere kant is de relatieve behoefte aan beschermende anti-oxidant vitaminen zoals vitamine C, E en caroteen groter. Deze spelen een belangrijke rol bij het immuunsysteem.

Gemiddeld gezien voldoet de inname door senioren van vitamine B6, B12, D en foliumzuur niet aan de ADH. In individuele gevallen komen er veel meer tekorten aan vitaminen voor. Door te eenzijdige diëten of door te lage inname van energie komt ook de inname van andere vitaminen in gedrang. Bovendien zijn de ADH's gebaseerd op minimale behoeftes en wordt er geen rekening gehouden met het feit dat extra inname van bepaalde vitaminen een extra bescherming bieden tegen ouderdomsgerelateerde aandoeningen. De onderstaande vitaminen verdienen enige extra aandacht.


V I T A M I N E   B 6 

De gemiddelde inname van vitamine B6 ligt voor ouderen iets boven de ADH. Bij een kwart van de alleenwonende ouderen wordt echter een te lage status van B6 gevonden. Bij mensen in een verzorgingsinstelling heeft zelfs de helft een tekort aan vitamine B6. De reden hiervoor is waarschijnlijk het koppelen van de aanbevolen hoeveelheid vitamine B6 aan de (lagere) aanbevolen inname van eiwit. In veel landen wordt daarom gepleit om de aanbeveling voor B6 te verhogen en los te koppelen van de inname van eiwit.

Een tekort aan vitamine B6 wordt onder meer in verband gebracht met een hoger gehalte aan homocysteïne (wat een verhoogd risico op een infarct met zich mee brengt), een verminderde opname en aanmaak van aminozuren en vermindering van de cognitieve vermogens.


V I T A M I N E   B 1 2 

De gemiddelde inname van vitamine B12 door ouderen lijkt net voldoende te zijn. Bij ongeveer een derde van de mensen boven 55 jaar wordt echter een tekort aan vitamine B12 in het bloed waargenomen. Dit tekort houdt mogelijk verband met een verminderde activiteit van het spijsverteringsstelsel (maagzuur, intrinsic factor, enzymen), waardoor de vertering van eiwitten vermindert en vitamine B12 minder goed uit de voeding kan worden vrijgemaakt. Vitamine B12 in de vorm van injecties of als voedingssupplement wordt ook door ouderen goed opgenomen, aangezien deze vitamine B12 niet (eiwit)gebonden is.

Een tekort aan vitamine B12 wordt onder meer in verband gebracht met een hoog homocysteïne gehalte, schade aan het zenuwstelsel, verminderde bloedopbouw en verminderde cognitieve eigenschappen. Onderzoek uitgevoerd in het Academisch Ziekenhuis Nijmegen liet na toediening van extra vitamine B12 bij ouderen een significante daling zien van het gehalte aan homocysteïne en een verbetering van de cognitieve vaardigheden en hersenfuncties (EEG).


F O L I U M Z U U R 

De gemiddelde inname van foliumzuur door ouderen is moeilijk te schatten. Bij veel mensen boven 55 jaar wordt een tekort aan foliumzuur in het bloed waargenomen. Dit tekort houdt mogelijk verband met een verminderde activiteit van het spijsverteringsstelsel en een lagere productie in de darm. Een tekort aan foliumzuur wordt onder meer in verband gebracht met een hoog homocysteïne gehalte, schade aan het zenuwstelsel, verminderde bloedopbouw en verminderde cognitieve eigenschappen.


C H O L I N E 

is de belangrijkste bouwsteen van acetylcholine, een belangrijke neurotransmitter in de hersenen. Naar mate men ouder wordt daalt de opname van choline door het lichaam. Choline kan eventueel door het lichaam zelf worden aangemaakt uit het aminozuur methionine, met behulp van onder meer vitamine B12. Omdat tekorten aan methionine en vitamine B12 bij ouderen regelmatig voorkomen en gezien de belangrijke rol van choline in het lichaam, lijkt het zinvol voor senioren om extra van deze voedingsstof in te nemen.


V I T A M I N E   D 

Ongeveer een derde van de behoefte aan vitamine D wordt doorgaans door de voeding gedekt. Twee derde wordt in het lichaam zelf aangemaakt. In de huid, onder invloed van zonlicht wordt uit pro-vitamine D het vitamine D gevormd. De ADH is 200 IE (Internationale Eenheden). De inname met de voeding is voor mannen boven 65 in ons land 192 IE, vrouwen krijgen gemiddeld 144 IE binnen.

Het officiële advies om boven 75 jaar extra vitamine D in te nemen, omdat men er van uit gaat dat deze groep onvoldoende in de buitenlucht komt, kan op zijn minst gezegd onvolledig en onzorgvuldig worden genoemd. In alle gevallen zal gelden dat mensen die hun huid niet regelmatig blootstellen aan zonlicht, onvoldoende vitamine D aanmaken en dus extra moeten innemen. Dit kan uiteraard ook mensen betreffen die jonger zijn dan 75, bijvoorbeeld omdat zij bedlegerig zijn of een donkere huidskleur hebben.

Een tekort aan vitamine D vermindert de opname van calcium en magnesium, waardoor de kans op botontkalking toeneemt. Bovendien vermindert een tekort aan vitamine D de spierfuncties, waardoor de mobiliteit vermindert, met als mogelijk gevolg dat men nog minder in de buitenlucht komt en de vicieuze cirkel rond is.


M I N E R A L E N 

Over het algemeen kan worden gesteld dat, indien er voldoende mineralen in het dieet van een oudere voorkomen, dit geen garantie is dat de status van elk mineraal ook voldoende is. Met name de verminderde spijsvertering kan er voor zorgen dat de mineralen door ouderen minder goed worden opgenomen dan door jongeren. De behoefte aan mineralen is eveneens afwijkend aan die van jongeren. Zo zal bij senioren de behoefte aan mineralen die een anti-oxidatieve rol spelen zoals selenium en zink hoger liggen, en dient er voldoende calcium, magnesium en borium te worden ingenomen om de kans op botontkalking te verkleinen. Ook neemt de behoefte aan spoorelementen die een rol spelen bij de bloedsuikerspiegel zoals chroom, zink, molybdeen en mangaan toe, aangezien de kans op diabetes stijgt, naar mate men ouder wordt.

De onderstaande mineralen verdienen enige extra aandacht:


G E B R E K   A A N   E E T L U S T 

kan ontstaan door biologische veranderingen in het lichaam, het gebruik van medicijnen en psychische en sociale oorzaken hebben. De biologische veranderingen zijn onder meer verminderde afgifte van spijsverteringsenzymen, afwijkingen aan de bloedsuikerspiegel, een niet optimaal functionerende hersenstofwisseling en verlies van reuk en smaak. Psychische factoren die kunnen leiden tot verminderde eetlust zijn onder meer depressiviteit, afwijkingen in de hersenstofwisseling en stress. Tot de sociale factoren behoren bijvoorbeeld eenzaamheid en de sfeer in de leefomgeving. Gebrek aan eetlust kan leiden tot onvoldoende inname van voeding in het algemeen of een eenzijdig eetpatroon, waardoor tekorten aan voedingsstoffen zullen ontstaan.


A N T I - O X I D A N T E N 

Over het algemeen kan gesteld worden dat naar mate de jaren verstrijken, de behoefte aan anti-oxidanten toeneemt. De degeneratie van de weefsels op latere leeftijd is uiteindelijk het gevolg van schade door vrije radicalen. Deze degeneratie draagt in grote mate bij aan het ontstaan van ouderdom gerelateerde aandoeningen, zoals hart- en vaataandoeningen, gewrichtsklachten, staar, bindweefsel- en spierzwakte, aandoeningen aan de luchtwegen, aandoeningen aan het zenuwstelsel (zoals doofheid), concentratie en geheugen, dementie en Parkinson - en aantasting van het immuunsysteem met een verhoogde kans op infecties en kanker als gevolg.

Anti-oxidanten zijn stoffen die bescherming bieden tegen schade door radicalen en daardoor de kans op voorgenoemde aandoeningen verkleinen. Van een aantal anti-oxidanten is door klinisch onderzoek onder ouderen inmiddels de beschermende werking aangetoond. Recente voorbeelden zijn: verminderd kans op bepaalde vormen van dementie door een combinatie van vitamine C en vitamine E, minder kans op kanker door selenium en carotenoïden en bescherming tegen hart- en vaataandoeningen, gehoorverlies en verminderde activiteit van T-cellen door vitamine E.


Z I N K 

De aanbevolen dagelijkse inname van zink door ouderen (10 mg voor mannen en 9 mg voor vrouwen) wordt gemiddeld exact gehaald. Zink speelt in zeer veel lichaamsfuncties een belangrijke rol. De voornaamste zijn de opbouw en het in stand houden van huid en slijmvliezen, vele functies in het immuunsysteem, bescherming van de prostaat en het constant houden van de bloedsuikerspiegel. In het immuunsysteem is zink een bouwsteen van SOD (Superoxide Dismutase, een belangrijke stof die vrije radicalen onschadelijk kan maken). Daarnaast is zink van belang bij de fagocytose en heeft het antivirale eigenschappen.

Zink is een bouwsteen van insuline en onmisbaar voor de werking van de pancreas en daarom nodig voor de spijsvertering en de productie van insuline. Het is opmerkelijk dat omgekeerd de pancreas weer nodig is voor de opname van zink. De pancreas kan picolinezuur afscheiden, dat het in het lichaam aanwezige zink kan binden tot het goed opneembare zinkpicolinaat.

Bij ouderen wordt doorgaans een verminderd vermogen tot weefselherstel en achteruitgang van de kwaliteit van huid en slijmvliezen waargenomen. Ook hier bij speelt zink weer een cruciale rol. Wellicht is de ADH voor zink in ons land aan de lage kant. In de meeste ons omringende landen is de ADH voor zink dan ook veel hoger. Een niet optimale zinkstatus kan leiden tot een disbalans met andere mineralen.


C O N C L U S I E 

De voedingsstatus bij veel senioren in ons land laat te wensen over. Dit komt door zowel niet optimale voedingskeuzes en voedingsbereiding, als door persoonlijke, fysiologische omstandigheden. Verbetering van de voedingsstatus van senioren zal bijdragen aan een betere conditie en gezondheidstoestand van senioren, waardoor een betere kwaliteit van leven en minder ziekte(kosten) zullen ontstaan. De behoefte aan voedingsstoffen van senioren is anders dan die van jongeren en kent een grote individuele variatie, als gevolg van verschillende leef- en gezondheidsomstandigheden.

Suppletie teneinde een meer optimale voedingsstatus te bereiken dient dan ook te geschieden met een voedingssupplement dat aan de specifieke behoefte aan micronutriënten van senioren voldoet. Een dergelijk product zal in verhouding minder B-vitaminen (minder behoefte aan energie), meer anti-oxidanten zoals selenium (bescherming tegen degeneratieve aandoeningen) en meer spoorelementen zoals chroom en zink (bloedsuikerspiegel) bevatten in vergelijking met een product dat bedoeld is voor jongeren en geen ijzer bevatten (in verband met een hoger risico van hart- en vaataandoeningen).


I J Z E R 

De aanbevolen dagelijkse inname van ijzer in ons land bedraagt voor oudere mannen 9 mg en voor vrouwen 8 mg. De gemiddelde inname is respectievelijk 11,4 en 10,1, met andere woorden: ruim voldoende. IJzer speelt een rol bij de groei, de bloedopbouw en in het immuunsysteem. Bij ouderen neemt de relatieve behoefte aan ijzer af, aangezien er geen sprake meer is van groei en verliezen door de menstruatie er niet meer zijn. Gezien de voldoende inname, de relatief lagere behoefte en de mogelijke disbalans met koper en zink, als gevolg van de lage inname, lijkt suppletie met ijzer op latere leeftijd niet erg zinvol.


K O P E R 

De aanbevolen dagelijkse inname van koper in ons land wordt voor ouderen op 1,5-3,5 mg geschat (de grote marge is opvallend). De inname door mannen bedraagt gemiddeld 1,12 mg en door vrouwen 0,95 mg. Koper speelt onder meer een rol in het immuunsysteem, bij de vorming van pigment en bij de bloedopbouw. De opname van koper wordt door een groot aantal factoren beïnvloed, onder meer door de aanwezigheid van vitamine C en fytinezuur.

Een zeer bepalende factor voor de behoefte aan koper is de verhouding tussen ijzer, zink en koper in de voeding. Een overmaat aan ijzer of zink zal de behoefte aan koper doen stijgen terwijl een tekort aan ijzer of zink een overmaat aan koper kan veroorzaken. Over het algemeen kan worden gesteld dat de behoefte aan extra koper en zink in de voeding bij senioren veel groter is dan de behoefte aan extra ijzer.


Levensfase

Printerversie

Contact    Overzicht    Copyright 2001 - 2006